Keeperstrainer en keeper positioneren zich volgens de tekening op het veld. De keeper staat daarbij 5-8 meter voor de keeperstrainer. De ballen zijn bij de keeperstrainer. Bij meerdere keepers wordt na elke ronde gewisseld.
Verloop
De keeperstrainer gooit de ballen op verschillende manieren naar de keeper. Soms naar rechtsboven naast de keeper (1), soms op kniehoogte direct (2), soms halfhoog direct op of zijwaarts naast de keeper (3), soms linksboven naast de keeper (4). De keeper moet de ballen met verschillende vangtechnieken opvangen en met verschillende eenhandige werptechnieken teruggooien naar de trainer. Zijn armhouding varieert daarbij overeenkomstig de vang- of werpwijze: (1) Vangen met één hand rechtsboven naast het lichaam; eenhandige worp met rechts. (2) Vangen met één hand voor het lichaam; eenhandig terugrollen afwisselend met rechts en links. (3) Vangen met één hand voor het lichaam (bij zijwaarts naast het lichaam gegooide ballen moet het lichaam achter de bal worden gebracht); eenhandige worp boven het hoofd. (4) Vangen met één hand linksboven naast het lichaam, eenhandige worp met links. Naast de voorgestelde varianten kunnen nog willekeurig veel andere oefeningen aan deze verzameling worden toegevoegd. De balcontacttijd moet met toenemende duur afnemen. Uiteindelijk wordt de bal met een korte handbeweging aangenomen en tegelijkertijd teruggegooid/gerold (balaanname en teruggave zijn één snelle, vloeiende beweging met één balcontact).
Tip
- Het lichaam moet, als de reactietijd het toelaat, altijd achter de bal worden gebracht. - De handpalmen bij het vangen achter of licht onder de bal brengen. - In de balverwachting op de voetballen staan en reactiesnel zijn. - In de individuele rondes geen grote wachttijden laten ontstaan om door hoge herhalingaantallen automatismen te creëren. - Door het constante vangen en gooien met één hand wordt de precisie van de vangbeweging, het reactievermogen en een snel omschakelen van verdedigings- naar aanvalsactie getraind.