Elke speler heeft een bal. Opbouw van een pionnenvierkant of vrij in de ruimte.
Verloop
De bal bevindt zich voor de speler. De speler staat in spreidstand. Met de rechtervoet, daarbij naar keuze met de binnenkant, de hak of de zool, speelt hij de bal naar achteren richting het standbeen. Hij laat de bal op zijn wreef rollen, tilt daarbij de voet op, zodat de bal gecontroleerd de lucht in wordt gebracht. 1 - Bal met de rechterzool naar achteren trekken 2 - Met de linkerwreef onder de bal 3 - Met de wreef de bal naar boven tillen 4 - Met de wreef de bal omhoog spelen
Tip
- De bal moet dicht bij het lichaam blijven, zodat hij direct na het opnemen verder verwerkt kan worden (bijv. jongleren) - De blik gaat naar de bal, het bovenlichaam is daarom licht naar voren gebogen - 4 pionnen