Er worden drie pionnen achter elkaar op een lijn geplaatst. Bij elke pion staat op een afstand van 5-8 meter een speler.
Verloop
Er staan 3 spelers 5 - 8 meter uit elkaar tegenover elkaar: Binnenkant aannemen, spelen Vollespa - resp. binnenkantschot Direct passen Lage bal Hoge bal Binnenkant/vollespan Buitenkant Hoofd aannemen, voet terug Knie aannemen, voet terug Borst aannemen, voet terug Lage, hoge of halfhoge bal Met knie/borst aannemen en met de voet terugspelen
Tip
Een nauwkeurig passspel is voor een succesvol voetbalspel van enorm belang. Daarom moet het passspel steeds weer geoefend worden. Daarbij mag niet worden vergeten dat bij foutieve uitvoering dienovereenkomstig gecorrigeerd en de juiste uitvoering voorgedaan moet worden. - Deze oefening vereist een hoge precisie en pasnauwkeurigheid. - De middelste speler wordt met toenemende duur aan een hoge fysieke belasting blootgesteld. Daarom moet elke 60 seconden de middelste speler gewisseld worden. Verdere belangrijke kenmerken: - Het standbeen moet op 30 - 40 cm afstand zijwaarts naast resp. op hoogte van de bal worden geplaatst. - Bij de binnenkantpass wijst de voetpunt naar boven, het voetgewricht is stevig aangespannen en het bovenlichaam licht naar voren over de bal gebogen. - Op de voetballen staan, speelvoet licht optillen en de bal in het midden raken. Lichaam boven de bal brengen en niet in holle rug naar achteren gaan (balaanname en -verwerking op dezelfde manier). - Na het raken van de bal het been doorzwaaien. - Op de armen letten! Bij het passen met de rechter binnenkant gaat de linkerarm naar de rechterheup, bij linker binnenkant de rechterarm naar de linkerheup! - Bij de vollespannpass is het voetgewricht opengekapt, tenen wijzen naar de grond en het bovenlichaam leunt licht over de bal. - Bij het spelen van de bal met de buitenkant kan licht in achterwaartse positie worden gegaan. - Bij het binnenkantschot beweegt men zich zijwaarts verspreide naar de bal, het lichaam gaat in een schuine positie. - 3 pionnen