In het midden van het doel positioneert zich een keeper, achter hem een tweede. De keeperstrainer (KT) positioneert zich centraal op 10 m afstand van het doel met de ballen.
Verloop
De KT speelt middels een volley afwisselend de ballen in de linker en rechter bovenhoek. De keeper reageert zodra hij ziet dat de KT tot schot aanzet. Een van de twee keepers reageert alleen bij schoten op de rechter doelhoek en de ander alleen op schoten op de linker. Intensiteit: 6-8 herhalingen. Daarna van kant wisselen.
Tip
- Belangrijk voor de keeper is dat hij bij zijn sprong in de hoek niet naar achteren valt. Kan hij de bal niet vasthouden, dan moet deze zijwaarts van het doel weg worden afgeweerd. - Kort voor het balcontact door de schutter maakt de keeper een kleine tweevoetige tussenstap of een korte stap naar voren, spreidt de armen zijwaarts, buigt licht in de kniegewrichten en staat op de voetballen. De voeten wijzen richting de schutter en staan ongeveer heupbreed uit elkaar, het bovenlichaam wordt licht naar voren geleund en de ogen fixeren de bal. - De afsprong vindt plaats ofwel zonder of met slechts een tussenstap. Meerdere stappen betekenen een te groot tijdverlies. Het lichaamsgewicht ligt bij de afsprong op het afzetbeen. - De keeper valt met een zwaaibeweging opzij. Naar rechts door over de rechtervoet vaart te nemen en zich via de voetballen zijwaarts af te zetten. Naar links door over de linkervoet vaart te nemen. - 1 groot doel(en)