De keeper staat in het doel. De keeperstrainer (KT) neemt met bal een willekeurige positie in op 12-25 m afstand van het doel. Na elke ronde start de KT vanuit een nieuwe positie (de grafiek toont verschillende positiemogelijkheden van de KT).
Verloop
De KT dribbelt op het doel af en probeert de keeper te omspelen. De keeper probeert de 1-tegen-1-situatie in zijn voordeel te beslechten. Intensiteit: 6-8 rondes.
Tip
- De keeper moet alleen op de bal letten en niet reageren op een schijnbeweging van de KT. - Zo lang mogelijk rechtop blijven staan, armen spreiden en schouderbrede voetstand innemen. - Door snel uit te komen de hoek voor de aanvaller verkleinen. Kort voor de aanvaller het tempo verlagen en losjes op de voetballen bewegen. - De benen niet te ver openen. - De keeper komt maximaal tot het strafschoppunt naar voren. - 1 groot doel(en)