Met negen pionnen worden drie driehoeken opgebouwd (zie afbeelding). Bij de driehoek met de startpositie staan in totaal drie spelers, bij de andere twee driehoeken positioneren zich telkens twee spelers.
Verloop
Speler A start de pasoefening met een lage pass naar B. Deze kaatst de bal, nadat hij een aanzetbeweging heeft uitgevoerd, terug in de voet van A, die zijn pass achternaloopt. Het terugkaatsen van de bal door speler B is voor speler C het optische startsignaal om zijn aanzetbeweging te beginnen. De volgende handelingen voltrekken zich parallel: C verlaat nu zijn startpositie en sprint in de richting van speler D. Speler A past de door B teruggekaatste bal in de loop van speler C, die de bal via een lage pass aan D doorgeeft. Speler B sprint ondertussen naar de startpositie van C en neemt diens positie in. A neemt de positie van B over. Deze cyclus geldt voor het verloop bij alle pionnendriehoeken en zet zich in het optimale geval tot het einde van de oefening gelijkblijvend voort. De pasvolgorde luidt altijd: lange pass, terugkaatsen, pass in de diepte. De volgorde van de loopwegen is in principe altijd gelijk. De pasopener (lange pass) loopt na de een-twee/pass in de diepte één pionnenstation verder. De speler die terugkaatst, loopt eenmaal om de pionnendriehoek heen.
Tip
Eerst de pasoefening langzaam instuderen en dan het pastempo verhogen. De balverwachtende spelers maken altijd een aanzetbeweging. Zijwaarts of achterwaarts een dynamische sprong om dan de pass tegemoet te gaan. De oefening is bij snelle uitvoering en met zeven spelers enorm loopintensief. - Onder lichamelijke belasting wordt een zeer veeleisend passeerwerk geëist. - De balverwachtende spelers roepen met een verbale aanwijzing de bal af. - De passtiming en starttiming is beslissend. - Vaak passen de spelers sneller dan ze lopen. - Passnauwkeurigheid en -scherpte eisen. - 9 pionnen