Er worden vier pionnen zoals voorgeschreven opgebouwd. Bij de twee grote pionnen staan telkens drie spelers, bij de kleine staat telkens één speler.
De blauwe speler begint met een korte pass op de stationaire blauwe kaatser, die direct in de loop terugkaatst. Vervolgens volgt een directe pass op de rode stationaire kaatser, die weer direct in de loop terugkaatst. Tot slot speelt de blauwe speler een directe pass naar de grote pion van de rode groep. Daar speelt de rode medespeler in omgekeerde volgorde zijn twee een-tweetjes met de kaatsers. De blauwe speler loopt na zijn beide een-tweetjes naar de rode groep.
- De balverwachtende speler start zijn tegenbeweging gelijktijdig met de uithaalbeweging van de passspeler. - De passgever moet zijn looptempo afstemmen op de passsnelheid. - Het standbeen niet te ver van de bal plaatsen en erop letten dat de spelers niet naar achteren leunen. - De passtiming en starttiming is beslissend. - Vaak lopen de spelers sneller dan ze passen. - Passscherpte en -nauwkeurigheid eisen. - 4 pionnen