De keeper laat de bal om de heup cirkelen. Hij begint met de rechterhand met de klok mee (1). Wanneer hij de bal langs de heup voert, beweegt hij het bekken naar links. Achter de rug vindt de handwissel plaats. De bal wordt in de linkerhand overgedragen en de heup naar voren geduwd. Is de bal nu weer op heuphoogte, wordt het bekken naar rechts geduwd. Voor het lichaam vindt nu de wissel van de linker- naar de rechterhand plaats. Daarbij wordt het bekken naar achteren bewogen. Dit verloop zet zich voort. Vervolgens wisselen van bewegingsrichting tegen de klok in (2). Bewegingsverloop: (1) Cirkelen van de bal om de eigen heup met de klok mee. (2) Cirkelen van de bal om de eigen heup tegen de klok in.
Tip
- De coördinatie van heupcirkelen en het om het lichaam heen voeren van de bal met de hand, vereist voor beginners een bepaalde leerfase. - Er moet een vloeiende en steeds sneller wordende beweging worden getraind. - De bal bevindt zich permanent onder controle van de handen. - Het bovenlichaam blijft de hele tijd rechtop. - De benen zijn licht gebogen.