De keeper staat op de doellijn, de keeperstrainer (KT) met de ballen op hoogte van de strafschopstip.
Verloop
De keeper staat op de doellijn met de rug naar de KT en maakt 3-5 hurkstreksprongen en raakt daarbij steeds met de handen de lat aan. Na de laatste sprong draait hij zich naar de KT om en reageert op diens schot. Intensiteit: 4-6 herhalingen.
Tip
- Hurksprongen: Door een krachtige, tweebenige afzet worden de knieën/bovenbenen naar de borst getrokken. De armen zijn gebogen en gaan in de uithaalbeweging. Het bovenlichaam is rechtop. Er wordt op de voorvoeten geland. Na een korte grondcontacttijd volgt direct de volgende sprong. - Snelle 90 graden draaiing naar de KT. - Indien mogelijk, maakt de keeper kort voor het balcontact door de KT een kleine, tweebenige tussensprong of een korte stap naar voren. De armen zijn zijwaarts uitgespreid, in de knieën buigt hij iets en staat op de voorvoeten. De voeten wijzen in de richting van de trainer en staan ongeveer heupbreed uit elkaar, het bovenlichaam wordt licht naar voren geleund en de ogen fixeren de bal. - Het lichaam moet bij de afweeractie altijd achter de bal worden gebracht. - Bij de afweeractie mag de keeper nooit naar achteren vallen, maar altijd naar voren. - Zijwaarts verschoven sprongen (skieerbeweging): Met licht naar voren gebogen bovenlichaam wordt, afwisselend met het rechter en linker been, zijwaarts naar voren gesprongen (met het rechter been naar rechts voren en met het linker naar links voren). Belangrijk is dat de afzet en de landing via de voorvoeten plaatsvinden. De armen zwaaien ondersteunend mee. Zet het standbeen na de afzet neer, dan is het andere been gebogen (geen grondcontact). De blik is recht vooruit gericht. - 1 groot-veld-doel(en)