De speler jongleert de bal afwisselend met het linker- en het rechterbovenbeen. Hij mag de bal daarbij met geen ander lichaamsdeel aanraken. Alternatief: Bij kleine kinderen de bal in de hand nemen, licht omhoog gooien, met het bovenbeen spelen en weer opvangen. Afwisselend rechts, links.
Tip
- Als stimulans voor de spelers kunnen de achter elkaar succesvol uitgevoerde rondes worden geteld. De speler met de meeste "rondes" wint. - Op het moment dat de bal op het bovenbeen terechtkomt, moet dit horizontaal zijn, respectievelijk de knie licht opgetild, zodat de bal licht richting het lichaam afketst. - Het bovenlichaam is rechtop, de blik op de bal gericht, af en toe naar voren of achteren gebogen om te balanceren. - De armen zijn zijwaarts van het lichaam en in het ellebooggewricht gebogen (vergelijkbaar met de armhouding bij het dragen van een krat water).