• 8 stang(en), 17 ring(en), 48 pionnen, 5 horde(n)
• Opbouw van een parcours volgens de afbeelding. De spelers stellen zich achter elkaar op.
Station 1: De speler houdt in beide uitgestrekte armen een bal en beweegt zich in sidestep door het pionnenslalomparcours. Aan het einde van het parcours moet hij een door de trainer/speler toegeworpen bal terugkoppen en loopt het parcours dan terug.
Station 2: De speler dribbelt steeds om het middelste pion en moet dan de bal door het pionnendoel spelen. Belangrijk is dat hij het middenpion nauw omcirkelt en de aansluitende pass door het pionnendoel zo timet dat hij hem voor het volgende middenpion weer kan controleren. De speler zelf loopt om het pionnendoel heen.
Station 3: De speler sprint op de binnenbaan door een slalomparcours, waarbij de pionnen zijwaarts verschoven ten opzichte van elkaar staan. Variant 1: Afwisselend met de rechter- en linkervoet en met een contact naar de pionnen dribbelen. Variant 2: Bal afwisselend rechter en linker buitenkant voet dribbelen. Tip: Het is zinvol om dit met zijwaartse sprongen te doen. Zeer veeleisend, zowel coördinatief als technisch.
Station 4: In het vierkant worden verschillende looptechnieken uitgevoerd: huppelloop in de hoogte met arminzet, skipping, kniehefloop, hakken aan billen, voetgewrichtswerk/tenenloop.
Station 5: Verschillende sprongen (skiër, kruissprong, twee voor een terug op een voet) met aansluitende kopbal, halfhoge pass of dubbele pass na toepass van de trainer.
Station 6: Wijde lineaire sprongen (gazellensprongen).
Station 7: Zijwaartse, wijde sprongen diagonaal (zijwaartse gazellensprongen).
Station 8: Zijwaartse skippings + voorwaarts/achterwaarts-skippings door de ster met aansluitende dubbele pass.
Station 9: In rechte skipping of met sidesteps door het stangenparcours met aansluitende pass. Op de terugweg ofwel achterwaarts-skipping of achterwaarts sidesteps.
Station 10: Sprints voorwaarts/achterwaarts door de pionnen.
Station 11: Hurksprongen over de horden.
Station 12: Slalomloop door de pionnen zonder bal en aansluitende sprint.
Station 13: Sprints vanuit verschillende posities (liggend, staand, met de rug naar de trainer, zijwaarts uit 90 graden, vliegende start - vanuit de loop). De trainer heeft een bal in de hand; wanneer deze de grond raakt, mag de speler vanuit zijn betreffende positie starten voor de sprint.
Station 14: Eenbenige sprongen over een lage horde met aansluitende sprint tot aan het pion. Startcommando komt van de trainer.
• Handpalmen zijn open, geen vuisten maken. • Lopen op de voetballen, niet op de hele voet.
• Losjes, lichtvoetig optreden, niet stampen.
• De aan het lichaam gebogen armen bewegen zich afwisselend met de benen mee. Niet van het lichaam af.
• Snelle, korte bewegingen.
• Sidesteps voorwaarts/achterwaarts: In zijwaartse looprichting worden de benen parallel afwisselend uit elkaar en samen gebracht, de armen pendelen daarbij in gelijktakt met de beenbeweging mee.
• Kruisloop: In zijwaartse looprichting naar links wordt het rechterbeen voor het linkerbeen langs gevoerd en voor het linkerbeen geplaatst. Vervolgens wordt het linkerbeen achter het rechterbeen langs gevoerd en voor het rechterbeen neergezet (enz.). Wordt het linkerbeen naar voren gevoerd, draaien de heup en de armen in de tegenovergestelde richting (naar achteren), zodat er een draaiing tussen schouder- en bekkenas ontstaat.
• Zijwaarts verplaatste sprongen (skiërsprong/-beweging): Met licht naar voren gebogen bovenlichaam wordt, afwisselend met het rechter- en linkerbeen, zijwaarts naar voren afgesprongen (met het rechterbeen naar rechts-voor en met het linkerbeen naar links-voor). Belangrijk is dat de afsprong en de landing op de voetballen plaatsvinden. De armen zwaaien ondersteunend mee. Zet het standbeen na de afsprong neer, dan is het andere been gebogen (geen bodemcontact). De blik is recht vooruit gericht.
• Achterwaartse loop: De benen worden in gebogen positie op de voetballen naar achteren bewogen. De armen zijn gebogen en gaan in de tegenbeweging. Het bovenlichaam is licht naar voren gebogen.
• 360 graden-draaien: Benen en armen zijn licht gebogen. Bovenlichaam licht naar voren gebogen. Er wordt op de voetballen om de eigen as gedraaid.
• Kniehefloop: Het rechterbeen naar boven in de maximaal hoogste hoekpositie gebogen. De linker (gebogen) arm gaat eveneens in de opwaartse beweging. Het linkerbeen is bijna gestrekt. De speler staat op de voetbal. Zet de rechter voetbal op de grond neer, volgt dezelfde bewegingsvolgorde met links. Het bovenlichaam is rechtop. Korte bodemcontacttijd, hoogste tempo.
• Huppelsprong hoog/sprong eenbenig: Met het linkerbeen wordt krachtig en zo hoog mogelijk naar boven afgeduwd. Het rechterbeen is daarbij gebogen. De linker (gebogen) arm gaat eveneens in de opwaartse beweging. Het linkerbeen is bijna gestrekt en duwt af op de voetbal. Zet de rechter voetbal op de grond neer, begint dezelfde bewegingsvolgorde met links. Bovenlichaam is rechtop. Korte bodemcontacttijd, hoogste tempo.
• Sprong ver (driesprong-gazelle): Wijde, ruimtelijke eenbenige sprongen. Afwisselend van de linker op de rechter voetbal. Beide benen zijn gebogen. De armen worden in de tegenloopbeweging meegeswaaid. Het bovenlichaam is rechtop. Doel is om zich ver en hoog af te duwen en zo lang mogelijk in de lucht te staan.
• Skipping: korte, snelle bewegingen op de voetballen (niet op de hele voet). De hakken mogen de grond niet raken, de benen/armen zijn gebogen en pendelen volgens de natuurlijke tegenloopbeweging (rechterarm/linkervoet) mee. Het bovenlichaam is naar voren gebogen. Korte bodemcontacttijd, hoogste tempo.
• Eenbenige sprongen: Dienen voor de ontwikkeling van de afzetkracht (verhoging van de maximale en explosieve kracht bij beperkte afzettijd), oftewel de startsnelheid. Er wordt vanaf de rechter voetbal naar voren gesprongen en met dezelfde voet op de bal geland. Kort bodemcontact met explosieve sprint. De linkervoet zet naar voren bewegend neer.
• Na elke oefening een pauze van 1-2 minuten inbouwen.