Verloop
a) De blauwe spelers dribbelen met de bal in het vierkant en spelen met de rode buitenspelers dubbele passes. b) De rode spelers hebben de bal in de hand en werpen deze naar de tegemoet komende blauwe spelers die hem met het hoofd, de binnenkant, de span of met een combinatie als borst-bovenbeen-span, hoofd-bovenbeen-span enz. terugspelen. c) De blauwe spelers spelen een dubbele pass en maken als vervolgactie een finte (bijv. overstap, schietfinte, pirouette, afhaken). d) De blauwe spelers spelen een dubbele pass en vervolgens passt de blauwe speler nog een keer naar de rode speler en wisselt dan met hem van positie.ne) Jongleren met z'n tweeën. Een doorgang duurt altijd 60 seconden, daarna wisselen de spelers.
Tip
bij a) Nauwe balvoering, veel contacten, richtings- en tempowisselingen, verschillende dribbelvarianten (span, binnenkant, zool etc.); passspel met rechts en links, vaste en precieze toespeelballen, de pass van de buitenspeler kan direct op de passgever of in diens looplijn plaatsvinden. Wordt de bal op de speler gepasst, dan moet hij zich met de balaanname draaien en in de tegenovergestelde richting starten; wordt de bal in de looplijn gepasst, dan moet direct naar de bal worden gesprinten om deze te controleren.nbij b) Met beide handen precies toegooien, geen ballen als "booglampen" gooien, maar slechts licht van onder naar boven. Kopbalspel: trefoppervlak is het voorhoofd, zwaaibeweging door "boogspanning" (holle kruis), armen zijn gebogen en worden schoksgewijs bij balaanraking naar het lichaam bewogen. Binnenkant: enkelgewricht helemaal opendraaien (90 graden), voet van onder naar boven richting bal bewegen. Enkelgewricht op het moment van de balaanraking fixeren. Borst: bovenlichaam gaat in lichte achterwaartse positie, frontale uitrichting naar de bal, na het afdruipen wordt de bal met de vollspann uit de lucht teruggespeeld.nbij c) Balvoering zie a; verschillende finten toepassen (pirouette, overstap, American Fake etc.), na finte korte sprint.nbij d) Zie a.nbij e) Bij het jongleren 2-3 meter uit elkaar gaan, verschillende jongleertechnieken (vollspann, bovenbeen, hoofd...) en jongleercombinaties (voet-hoofd-bovenbeen; rechtervoet - rechter bovenbee - linker bovenbee - linkervoet...) toepassen. Bovenlichaam is rechtop. Bij het jongleren met de voet span opklappen. Trefoppervlak is de bovenkant van de voet, geen draaiing van de bal. - 4 pionnen