Oefening KW38: Tegenstander overwinnend passspel I
Organisatie
Met acht pionnen worden drie vierkanten opgebouwd, waarbij elke zone dezelfde grootte heeft. De pionnen vormen de denkbeeldige scheidingslijnen tussen de betreffende velden.
Verloop
De twee blauwe spelers passen de bal in hun corridor willekeurig lang naar elkaar. Doel is om langs de rode speler in het middelste veld heen naar de blauwe medespeler aan de andere kant te passen. Lukt dit, dan loopt de blauwe passgever direct achter zijn pass aan naar het andere veld. Daar begint hetzelfde spel opnieuw. De rode speler probeert de passes met een handige ruimteverdeling te onderscheppen, waarbij hij de corridor van de tegenstanders niet mag betreden. Motivatiehulp voor de rode speler: De speler in de middelste sector wordt na een vastgestelde tijd gewisseld. Onderschept de rode speler meer passes dan de blauwe spelers naar de medespeler kunnen overbrengen, dan wint hij. Alternatief: Voor een betere waarneming kunnen als buitenmarkering grotere pionnen worden gekozen.
Tip
Het is aan te bevelen dat de spelers de passes met beide voeten spelen. In het begin moeten de passes laag worden gespeeld. Gevorderde spelers kunnen de tegenstander ook overlobben. De rode speler en de medespeler in het tegenoverliggende veld observeren. Een nauwkeurig passspel is voor succesvol voetbal van enorm belang. Daarom moet het passspel steeds weer worden geoefend. Daarbij mag niet worden vergeten dat de oefening bij foutieve uitvoering gecorrigeerd en correct voorgedaan moet worden. Verdere belangrijke kenmerken: - Het standbeen moet op 30 - 40 cm afstand zijwaarts naast c.q. op hoogte van de bal worden geplaatst. - Bij de binnenkantpass wijst de voetpunt naar boven, het enkelgewricht is stevig aangespannen en het bovenlichaam licht naar voren over de bal gebogen. - Op de voetballen staan, speelvoet licht optillen en de bal in het midden raken. Lichaam over de bal brengen en niet in het holle kruis naar achteren gaan (op dezelfde wijze vindt de balaanname en -meename plaats). - Na het raken van de bal het been doorzwaaien. - Op de armen letten! Bij het passen met de rechter binnenkant gaat de linker arm naar de rechter heup, bij de linker binnenkant gaat de rechter arm naar de linker heup! - Bij de vollspannpass is het enkelgewricht opengeklapt, de tenen wijzen naar de grond en het bovenlichaam is licht over de bal gebogen. - Bij het spelen van de bal met de buitenkant kan licht in achterwaartse positie worden gegaan. - Bij de binnenkantschop beweegt men zich zijwaarts verschoven naar de bal, het lichaam gaat in een schuine positie. - 8 pionnen