Oefening KW44: Doelschot op twee doelen na balmeename/diverse acties
Organisatie
Opbouw van twee tegenover elkaar staande doelen en zes pionnen (zie tekening). De spelers verdelen zich gelijkmatig bij de vier buitenste startpionnen. De ballen liggen bij de spelers van groep A en B.
Verloop
Oefenverloop I: A speelt een lage pass op A1. A1 dribbelt naar de middenpion, loopt aan de binnenkant hieraan voorbij en schiet op het doel. Tegelijkertijd past B de bal naar B1, die daarop eveneens naar de middenpion dribbelt, aan de binnenkant voorbijloopt en dan op het doel schiet. Eerst moet met de binnenkant geplaatst in de doelhoeken worden geschoten, daarna met de wreeft of als binnenkant-trap op het doel worden geschoten. Oefenverloop II: Als I, maar nu wordt voor de middenpion een schijnbeweging uitgevoerd. Om de oefeningen tweevoetig in te studeren, wisselen de spelers bij alle oefenvormen na 5 minuten van kant (A wordt B / A1 wordt B1). Variant I: Elke speler heeft een bal. A en B lopen tegelijkertijd op en ontmoeten elkaar precies in het midden. Beide spelers haken met de linkerarm in en maken een hele draai (slingeren). Dan wordt in looprichting geschoten. Daarna hetzelfde verloop bij B1 en A1. Variant II: Elke speler heeft een bal. De spelers A en B dribbelen tegelijkertijd bij hun pionnen vandaan en passen de bal na 2-3 meter diagonaal zo in de loopweg van de ander, dat deze ter hoogte van de middenpionnen tot een doelschot komt. Vervolgens starten A1 en B1 met dezelfde oefening. Variant III: Speler A speelt een dubbele pass met de bij de middenpion wachtende speler A1. Speler A geeft vervolgens een voorzet vanaf de achterlijn op de in het doelgebied gestarte speler A1, die de doelpoging zoekt. Parallel verloop bij B en B1. Variant IV: A speelt de bal naar de bij de middenpion wachtende speler A1 en loopt diagonaal richting doel. Speler A1 laat de bal in de loop van A terugkaatsen, loopt zijn eigen pass kort achterna en ontvangt van A een pass in de diepte (richting achterlijn). Speler A1 geeft deze bal als voorzet in het strafschopgebied, waar speler A tot een doelpoging komt. Parallel verloop bij B en B1. Na elke ronde wisselen de spelers A en A1 evenals B en B1 van positie.
Tip
Doelschot: - Op juiste lichaamshouding bij het schot letten: Bovenlichaam boven de bal; standbeen ca. 30-40 cm zijwaarts naast de bal, voet wijst in schietrichting; armen zwaaien mee; de arm die het dichtst bij het schietbeen is, maakt de uithaalbeweging van het been mee, de andere wordt naar voren gevoerd; de blik is op het moment van het schot op de bal gericht. - Bij het volleyschot moet het bovenlichaam licht naar voren gebogen zijn en de bal op een laag punt (niet te hoog) worden geraakt. Daardoor krijgt de bal een sterkere druk en hogere nauwkeurigheid. - Bij de kopbal is het raakoppervlak het voorhoofd. De druk wordt opgebouwd uit een boogspanning in het bovenlichaam (speler gaat in holle rug). Kort voordat de speler de bal raakt, lost hij de boogspanning op door het hoofd met een ruk naar voren te brengen en de bal voor het lichaam te raken. De armen worden bij deze beweging in gebogen houding naar achteren bewogen. Passen: - Bij pass naar de terugkaatser erop letten op diens sterke voet te spelen. - De balaanname en -meename moet een vloeiende beweging zijn. Een te ver wegspringen van de bal of een van de rechte looplijn afwijkende aanname en meename moet worden vermeden. - Bij pass in de loopweg de bal zo passen dat de ontvanger zo mogelijk direct (vanuit de loop) de vervolgactie (bijv. voorzet) kan starten. Schijnbewegingen: - Schijnbewegingen ongeveer 1-2 meter voor de middenpion uitvoeren. Vervolgens tempo kort verhogen, doelpoging. Dribbelen: - Het bovenlichaam is aan het begin van het dribbelen licht naar voren gebogen. Bij het stoppen en nterughalen van de bal richt het zich iets op. - Bij de uitvoering van een lichaamsfint verplaatst het zwaartepunt, door het voor lichaamfinten typische zijwaartse afbuigen van het bovenlichaam, overeenkomstig naar rechts of links. - Niet in achterwaartse positie komen. - De armen zijn in de elleboog gebogen en worden zijwaarts langs het lichaam, conform de normale armbeweging bij het lopen/gaan, meegevoerd. - Been bij de balmeename buigen. - De bal wordt slechts licht ("zacht") aangeraakt. Er moet een fijngevoeligheid voor de bal worden opgebouwd. - De blik moet regelmatig van de bal worden losgemaakt (afwisselende blik richting bal en naar voren). - Tempo hoog houden. - Zoveel mogelijk balcontacten. - De benen zijn tijdens de uitvoering in de knie licht gebogen. - Strakke balvoering (bal mag de voet niet meer dan 50 cm verlaten). Terugkaatser: - De terugkaatser maakt een korte tegenbeweging zodra de startspeler in de uithaalbeweging gaat en komt dan de bal kort tegemoet. - 2 groot veld-doel(en), 6 pionnen
Trainingsattributen
Techniek
Techniek
Balaan- en -meenameBalcontroleDribbelenSchijnbewegingen/trucsPasstrainingSchottraining