- 4 pionnen
- 8 spelers of meer
- meerdere ballen
De blauwe speler begint met een korte pass op de stationaire blauwe kaatser, die direct in de loop terugkaatst. Vervolgens volgt een directe pass op de rode stationaire kaatser, die weer direct in de loop terugkaatst. Tot slot speelt de blauwe speler een directe pass naar de grote pion van de rode groep. Daar speelt de rode medespeler in omgekeerde volgorde zijn twee dubbele passes met de kaatsers. De blauwe speler loopt na zijn beide dubbele passes naar de rode groep.
- De bal verwachtende speler start zijn tegenbeweging gelijktijdig met de uithaalbeweging van de passspeler
- De passgever moet zijn looptempo afstemmen op de passsnelheid
- Het standbeen niet te ver van de bal plaatsen en erop letten dat de spelers niet in achterwaartse positie gaan
- De passtiming en starttiming zijn beslissend
- Vaak lopen de spelers sneller dan ze passen
- Passscherpte en -nauwkeurigheid eisen
- Bij meer dan 16 spelers de oefening dubbel opbouwen