Acht pionnen worden zoals voorgeschreven gepositioneerd. Bij de dubbel bezette pion wordt begonnen.
Eerst past A de bal door het pionnengoaltje heen, waarbij speler B de gangpass vanuit de draai aanneemt - en meeneemt en zich in een tempodribbel naar de volgende pion beweegt. Vervolgens speelt B een korte pass naar C. A neemt de positie van B in en B plaatst zich bij de pion van speler C. Dan wordt hetzelfde pasvolgsysteem zoals beschreven in de kringloop (C + D) voortgezet.
- De balverwachtende speler start zijn tegenbeweging gelijktijdig met de uithaalbeweging van de passspeler. - Het standbeen niet te ver van de bal plaatsen en erop letten dat de spelers niet naar achteren leunen. - De passtiming en starttiming is beslissend. - Vaak lopen de spelers sneller dan de pass of starten te laat. - Passscherpte en -nauwkeurigheid eisen. - Zuiver tempodribbel met korte stappen. De balvoeringsafstand mag niet groter dan 50 centimeter zijn. - 8 pionnen