Opbouw van een pionnenzeshoek volgens de afbeelding. Bij elke pion bevindt zich een speler en bij de startpion een bal. (1) Doelschot
Verloop
De pascombinatie begint met een diagonale bal van speler A naar speler C. Deze kaatst de bal naar speler B die op zijn beurt een diagonale bal naar speler D slaat. Speler D kaatst de bal naar speler E die de bal diagonaal naar speler C doorspeelt. Deze heeft na zijn pass naar speler B zijn pionpositie door een korte sprint richting doel verlaten en kan nu tot een doelpoging komen. De loopwegen van de spelers komen overeen met een kringloop, d.w.z. elke speler loopt na zijn pass (c.q. doelschot) één pionstation verder. Heeft elke speler éénmaal op doel geschoten, dan wordt de oefening opnieuw uitgevoerd maar met een richtingsverandering. D.w.z. de eerste bal gaat van speler A naar speler E, die ook tot de doelpoging komt.
Tip
- De balverwachtende speler maakt altijd een stap achteruit in een dynamische sprong en gaat dan de bal een stap tegemoet. - Passes scherp, nauwkeurig en laag spelen. - Bij het terugkaatsen de voet licht optillen. - Juiste starttiming. - Doelpunten maken. - 6 pionnen, 1 groot veld-doel(en)