Er worden acht pionnen zoals voorgeschreven opgesteld. De startpionnen met bal zijn net als de andere pionnen met een speler bezet. Door de afgebeelde opbouw ontstaan 4 groepen met telkens één bal. (1) Groep 1 (2) Groep 2 (3) Groep 3 (4) Groep 4
Verloop
Alle 4 groepen beginnen gelijktijdig en hebben in alle groepen dezelfde passwegen. Voorbeeld GROEP I: A speelt met B een een-twee en speelt vervolgens een vluchtbal naar speler A van groep II. Tegelijkertijd speelt groep II dezelfde pasvolgorde en de speler A van die groep speelt de vluchtbal naar zijn tegenhanger van groep I. Analoog spelen de GROEPEN III + IV de ballen in dezelfde pasvolgorde naar elkaar toe. Na de vluchtbal wisselen de spelers binnen de groepen in een sprint van positie.
Tip
Eerst de pasoefening langzaam instuderen en dan het pastempo verhogen. De balverwachtende spelers maken altijd een aanzetbeweging. Zijwaarts of achterwaarts een dynamische sprong om dan de pass tegemoet te gaan. - Passscherpte en -nauwkeurigheid eisen maar ook nadruk leggen op een beheerste, zuivere pass vóór de vluchtbal, zodat deze in het ideale geval direct gespeeld kan worden. - Nauwkeurigheid gaat vóór snelheid. - De concentratie moet in stand gehouden worden. - Deze spelvorm vereist de hoogste technische vaardigheid onder tijdsdruk. - Voortdurend onderling communiceren moet geëist worden. - Erop letten dat de ballen elkaar niet raken en dat de verlopen synchroon zijn. - 8 pionnen