Er wordt een klein vierkant in een groot vierkant opgebouwd. 16 spelers verdelen zich zoals getekend bij de pionnen. Bij de startpion positioneren zich twee spelers. Elke viermangroep heeft een bal.
Verloop
Eerst volgt een lengtepass (1 - verticaal) van A naar B, vervolgens een pass in de loop van medespeler C. Speler C past de bal dan weer naar de uitgangspositie naar speler D. Deze oefening kan nog drie keer door telkens vier spelers op de andere trapeziumzijden in de twee vierkanten met dezelfde pass- en loopwegen uitgevoerd worden.
Tip
- Dit passeerwerk is zeer loopintensief. - Het standbeen niet te ver van de bal plaatsen en erop letten dat de spelers niet naar achteren leunen. - De passtiming en starttiming is beslissend. - Vaak lopen de spelers sneller dan ze passen. - Passscherpte en -nauwkeurigheid eisen. - Nauwkeurigheid gaat vóór snelheid. - De tweede pass moet in de loop van de speler gespeeld worden. - 8 pionnen