Er wordt een pionnendriehoek opgebouwd. In de pionnendriehoek wordt een verdere pion geplaatst. Vijf spelers verdelen zich zoals getekend bij de pionnen. De bal is bij startpion E.
Verloop
De pasvolgreeks 1-6 wordt eerst in de ene richting en dan omgekeerd (7-12) in de andere richting gespeeld. E past naar D, die laat terugkaatsen op E. E speelt naar C, die past door naar B. B laat terugkaatsen op C en deze speelt naar speler A. Nu start dezelfde afloop in de omgekeerde richting. A speelt naar B, die laat terugkaatsen op A. A speelt door naar C enz. Loopwegen: Na enkele rondes wordt met de klok mee gewisseld. A neemt positie B in, B positie C, C positie D, D positie E en E neemt de positie van speler A in. Degene die de bal toegespeeld krijgt, loopt 1-2 m terug en komt de passgever tegemoet.
Tip
- Dit passspel vereist een hoge mate van concentratie en spelbegrip. - Het standbeen niet te ver van de bal plaatsen en erop letten dat de spelers niet in achterwaartse ligging raken. - De pastiming en de starttiming zijn beslissend. - Vaak lopen de spelers sneller dan ze passen. - Passcherpte en pasnauwkeurigheid eisen. - Nauwkeurigheid gaat voor snelheid. - 4 pionnen