Pionnen worden volgens de afbeelding opgesteld. De startpion met bal kan dubbel/meervoudig bezet worden, bij de andere pionnen staat telkens een speler. (1) Start (2) Dribbel (3) Doelpoging
Verloop
Bij de startpion wordt een eenvoudig direct passspel in het vijfhoekpatroon gestart met aansluitend een verticale pass (dieptepas) (1 – 6) naar het zeshoekpatroon. De bal verwachtende speler controleert de bal in de draaiing en dezelfde passvolgorde (7 – 12) volgt als daarvoor. De pass (13) naar speler A is dit keer een brede pass (horizontaal). A controleert de bal en start een korte tempodribbel (14) voordat hij naar B past (15). B laat de bal (16) direct in de loop van A terugkaatsen en deze sluit af met een schot op doel (17) vanaf ca. 14 – 17 meter. Na de actie wisselt elke speler een station/pion verder. Speler A wordt de kaatser (voorheen speler B) en speler B (voorheen kaatser) wisselt naar de startpositie.
Tip
Begin de passoefening langzaam in te studeren en verhoog dan het pastempo. De bal verwachtende spelers maken altijd een aanloopbeweging. Zijwaarts of achterwaarts een dynamische sprong om vervolgens de pass tegemoet te gaan. - De spelers hebben een bepaalde tijd nodig om het oefenverloop op te slaan. - Balzekerheid en een goed combinatiespel worden nagestreefd. - Passcherpte en -nauwkeurigheid eisen. - Nauwkeurigheid gaat voor snelheid. - De concentratie moet op peil gehouden worden. - Steeds weer de onderlinge communicatie eisen. - De anticipatie, waarneming, reactie, bewegings- en actiesnelheid met en zonder bal worden voortdurend geëist. - Instuderen van automatismen. - 13 pionnen, 1 groot doel(en)