In een groot doel wordt een klein doel geplaatst. Op de 16 meter-lijn wordt de bal geplaatst, waar de speler staat.
Door de speler worden lange ballen in het doelgebied gepasst. De ruimte tussen de dwarslat van het kleine en het grote doel vormt het doelgebied. Alternatief: - Door het plaatsen van een pion kan de afstand tot het doel vergroot worden. - Deze oefening kan ook als wedstrijd uitgevoerd worden. Daarvoor wisselen twee of meer spelers af. Wie de meeste treffers scoort, wint. Er zijn verschillende mogelijkheden om een pass te spelen: - door de binnenkant voet-trap - de wreef - de binnenkant voet - de buitenkant voet - met effect
- Het standbeen moet op 30 - 40 cm afstand zijwaarts naast of op hoogte van de bal geplaatst worden. - Bij de binnenkant voet-pass wijst de voetpunt omhoog, de enkel is stevig aangespannen en het bovenlichaam is licht naar voren over de bal gebogen. - Op de bal van de voet staan, speelvoet licht optillen en de bal in het midden raken. Lichaam over de bal brengen en niet naar achteren in het holle kruis gaan. - Na het raken van de bal het been doorswaaie - Op de armen letten! Bij het passen met de rechter binnenkant voet gaat de linkerarm naar de rechterheup, bij de linker binnenkant voet gaat de rechterarm naar de linkerheup! - Bij de wreefpass is de enkel gestrekt, tenen wijzen naar de grond en het bovenlichaam is licht over de bal gebogen - Bij het spelen van de bal met de buitenkant voet kan men makkelijk naar achteren leunen. - Bij de binnenkant voet-trap beweegt men zich zijwaarts verschoven naar de bal, het lichaam gaat in een schuine positie. - 1 klein veld-doel(en), 1 pion, 1 groot veld-doel(en)