Verloop
Verschillende pas- en werpoefeningen voor de keeper. De geïsoleerde uitschop- en werptechnieken kunnen, zoals hier weergegeven, geïsoleerd worden getraind, maar ook met voor- en/of nageschakelde acties worden verbonden. De trainer kan passief, maar ook actief als aanspeelstation voor de keeper fungeren. De in de afbeelding voorgestelde oefeningen zijn: 1. Uittraptechniek wreefschot (volle wreef) De voetpunt wijst naar beneden, het voetgewricht is aangespannen en het bovenlichaam licht over de bal gebogen. Trefvlak is het achterste deel van de voetrug. Om een grotere lengte van de bal te bereiken, kan licht in rugligging worden gegaan. 2. Effetschot De bal wordt met de binnenkant/voetpunt geschoten en krijgt een draai-effect. De speler gaat versterkt in zijligging. Een lichte rugligging is daarbij niet ongebruikelijk. 3. Binnenkantschot De bal wordt deels met de binnenkant en deels met de volle wreef gespeeld. Het standbeen is zijwaarts naast de bal gepositioneerd en het bovenlichaam van de speler gaat in een schuine ligging. De tenen wijzen naar beneden, vergelijkbaar met de voethouding bij het wreefschot. 4. Binnenkantpas De voetpunt wijst naar boven, het voetgewricht is stevig aangespannen en 90 graden naar buiten opengeklapt. De speelvoet wordt licht opgetild. De bal moet centraal met de binnenkant van de voet worden geraakt. Het lichaam boven de bal brengen en vermijden in hollerug te gaan. 5. Buitenkantpas Bij het spelen van de bal met de buitenkant is een lichte rugligging mogelijk. De bal wordt met de buitenste tenen en de buitenkant van de voet gespeeld en krijgt daardoor een draai-effect. 6. Uittrap-techniek dropkick Bij de dropkick wordt de bal met de wreef precies op het moment geraakt waarop de bal de grond raakt. Leerhulp dropkick: De bal in beide handen nemen, armen uitstrekken en bal laten vallen. Op het moment van grondcontact moet de bal met de wreef worden geraakt. Het been zwaait na het raken door. De bal mag niet draaien. 7. Uittrap-techniek volley vanuit frontale schothoudingBij de frontale volley is het bovenlichaam licht naar voren gebogen. De bal wordt uit beide handen licht naar voren gegooid en op een laag punt (niet te hoog) geraakt. De bal krijgt zo een sterke druk en een hoge nauwkeurigheid. Het trefvlak is de volle wreef. Om een grotere uittrapreikwijdte te bereiken, is het zinvol het bovenlichaam op te richten of licht naar achteren te buigen. 8. Uittrap-techniek volley vanuit zijwaartse schothouding (schaarbeweging) Bij de zijwaartse schaarbeweging is het standbeen zijwaarts naast de bal gepositioneerd en het bovenlichaam van de speler gaat in een schuine ligging. De tenen wijzen naar beneden, vergelijkbaar met de voethouding bij het wreefschot. Het trefvlak is de volle wreef, het schotbeen is schuin gebogen en de bal wordt licht met de hand naar het schotbeen gevoerd of gegooid. 9. Lobben Bij het lobben gaat de voet onder de bal, die dan met de volle wreef omhoog wordt getild. 10. Zijwaartse worp Bij de zijwaartse worp wordt de arm als bij een speerwerper naar achteren gestrekt en de bal op de open handpalm gelegd. De gestrekte arm wordt dan onder spanning naar voren gevoerd. Daarbij gaat hij dicht langs het oor. Belangrijk hierbij is de remstap. Wanneer de keeper met rechts gooit, staat het linkerbeen zijwaarts naar voren verschoven. Gooit hij met links, dan is het rechterbeen zijwaarts naar voren verschoven. Men kan de werptechniek tegen een vangscherm oefenen en daarna de werpactie in de schiettraining inbouwen, doordat na een gehouden bal, deze in een willekeurig ver opgesteld doel gegooid moet worden. 11. Werptechniek terugrollen Bij het terugrollen ligt de bal op de handpalm, men gaat in de schredelstand (balverste been is naar voren verschoven) en buigt beide benen (hurkhouding). Wordt met de linkerarm gerold, dan wordt bijgevolg het rechterbeen voor het linker geplaatst. Tegelijkertijd wordt het lichaamsgewicht op het rechterbeen verplaatst. De linkerarm wordt zwierig naar voren richting grond gevoerd en daarbij de bal op de grond gezet. De hand stoot de bal naar voren af en geeft de richting aan. De rechterarm maakt parallel aan de rolbeweging van de linkerarm een uithaalbeweging precies tegenovergesteld naar achteren. Het bovenlichaam is licht naar voren gebogen.