Opbouw van een doel en twee tegenover elkaar staande pionnenrijen van elk 3 pionnen (zie tekening) en een startpion. Bij elke pion plaatst zich een speler. De overige spelers positioneren zich bij de startpositie A.
Verloop
De speler bij startpositie A speelt op alle drie de pionnenniveaus, beginnend met een een-twee met speler B, met elke speler een een-twee. Aansluitend aan de pasreeks komt hij tot een doelpoging. Na pass 5 (zie tekening) start de volgende speler. De kaatsers wisselen regelmatig.
Tip
- De betreffende een-twee-partner (kaatser) maakt een korte tegenaanloopbeweging zodra de passende speler in de uithaalbeweging gaat en komt dan de bal kort tegemoet. - De pass naar de kaatser moet op diens sterke voet worden gespeeld. - Zo mogelijk moeten alle passes direct worden gespeeld. - Op juiste lichaamshouding bij het schot letten: bovenlichaam boven de bal; standbeen ca. 30-40 cm zijwaarts naast de bal, voet wijst in de schotrichting; armen zwaaien mee; de arm die het dichtst bij het schotbeen is, maakt de uithaalbeweging van het been mee, de andere wordt naar voren gebracht; de blik is op het moment van het schot op de bal gericht. - Erop letten dat het schot op doel met rechts en links wordt getraind. - Er kunnen (eventueel op aanwijzing van de trainer) verschillende schottechnieken (binnenkant voet-stoot, wreefschot, curven enz.) worden geoefend. - 7 pionnen, 1 groot doel(en)
Trainingsattributen
Techniek
Techniek
BalcontrolePasstrainingSchottraining
Conditie
Conditie
Actiesnelheid met balBewegingssnelheid zonder balKrachttrainingSnelheid