← terug naar overzicht
Schot op doel op twee doelen na balmeename/diverse acties
40 min
Voetbal Oefening

Schot op doel op twee doelen na balmeename/diverse acties

Organisatie

Opbouw van twee tegenover elkaar staande doelen en zes pionnen (zie tekening). De spelers verdelen zich gelijkmatig over de vier buitenste startpionnen. De ballen liggen bij de spelers van groep A en B.

Verloop

Oefenverloop I: A speelt een lage pass op A1. A1 dribbelt naar de middenpion, loopt er aan de binnenkant langs en schiet op doel. Gelijktijdig past B de bal naar B1, die daarop eveneens naar de middenpion dribbelt, er aan de binnenkant langs loopt en dan op doel schiet. Eerst moet met de binnenkant voet geplaatst in de doelhoeken worden gecurved, daarna met de wreef of als binnenkant voet-stoot op doel worden geschoten. Oefenverloop II: Als I, alleen wordt nu voor de middenpion een finte uitgevoerd. Om de oefenvormen tweevoetig in te studeren, wisselen de spelers bij alle oefenvormen na 5 minuten van kant (A wordt B / A1 wordt B1). Variant I: Elke speler heeft een bal. A en B lopen gelijktijdig weg en ontmoeten elkaar precies in het midden. Beide spelers haken met de linker arm in en maken een hele draai (slingeren). Dan wordt in de looprichting geschoten. Daarna hetzelfde verloop bij B1 en A1. Variant II: Elke speler heeft een bal. Spelers A en B dribbelen gelijktijdig bij hun pionnen weg en passen de bal na 2-3 meter diagonaal zo in de looproute van de ander dat deze ter hoogte van de middenpionnen tot een schot op doel komt. Aansluitend starten A1 en B1 met dezelfde oefening. Variant III: Speler A speelt een een-twee met de bij de middenpion wachtende speler A1. Speler A geeft aansluitend een voorzet vanaf de achterlijn op de in het doelgebied gestarte speler A1, die de doelpoging zoekt. Parallel verloop bij B en B1. Variant IV: A speelt de bal naar de bij de middenpion wachtende speler A1 en loopt diagonaal richting doel. Speler A1 kaatst de bal in de loop van A, loopt kort zijn eigen pass na en krijgt van A een pass in de diepte (richting achterlijn). Speler A1 geeft deze bal als voorzet in het strafschopgebied, waar speler A tot een afronding komt. Parallel verloop bij B en B1. Na elke beurt wisselen spelers A en A1 en B en B1 hun posities.

Tip

Schot op doel: - Op juiste lichaamshouding bij het schot letten: bovenlichaam boven de bal; standbeen ca. 30-40 cm zijwaarts naast de bal, voet wijst in de schotrichting; armen zwaaien mee; de arm die het dichtst bij het schotbeen is, maakt de uithaalbeweging van het been mee, de andere wordt naar voren gebracht; de blik is op het moment van het schot op de bal gericht. - Bij het volleyschot moet het bovenlichaam licht naar voren gebogen zijn en de bal op een laag punt (niet te hoog) worden geraakt. Daardoor krijgt de bal meer druk en een hogere nauwkeurigheid. - Bij de kopbal is het trefvlak het voorhoofd. De druk wordt opgebouwd uit een boogspanning in het bovenlichaam (speler gaat in het holle kruis). Vlak voordat de speler de bal raakt, lost hij de boogspanning op door het hoofd met een ruk naar voren te brengen en de bal voor het lichaam te raken. De armen worden bij deze beweging in gebogen houding naar achteren bewogen. Passen: - Bij de pass naar de kaatser erop letten op diens sterke voet te spelen. - De balaanname en -meename moet een vloeiende beweging zijn. Een te ver wegspringen van de bal of een van de rechte looproute afwijkende aanname en meename dient vermeden te worden. - Bij de pass in de looproute de bal zo passen dat de ontvanger bij voorkeur direct (vanuit de loop) de vervolgactie (bijv. voorzet) kan starten. Finten: - Finten ongeveer 1-2 meter voor de middenpion uitvoeren. Aansluitend tempo kort verhogen, afronding. Dribbelen: - Het bovenlichaam is bij het begin van de dribbel licht naar voren gebogen. Bij het stoppen ennterugtrekken van de bal richt het zich iets op. - Bij de uitvoering van een lichaamsfinte verschuift het zwaartepunt van het lichaam, door de voor lichaamsfinten typische zijwaartse buiging van het bovenlichaam, dienovereenkomstig naar rechts of links. - Niet in achterwaartse ligging gaan. - De armen zijn in het ellebooggewricht gebogen en worden zijwaarts van het lichaam, conform de normale armbeweging bij het lopen/gaan, mee bewogen. - Been bij de balmeename buigen. - De bal wordt slechts licht ("zacht") aangeraakt. Er moet een fijngevoeligheid voor de bal worden opgebouwd. - De blik moet regelmatig van de bal worden losgemaakt (wisselende blik richting bal en naar voren). - Tempo hoog houden. - Zo veel mogelijk balcontacten. - De benen zijn tijdens de uitvoering in het kniegewricht licht gebogen. - Strakke balleiding (bal mag de voet niet verder dan 50 cm verlaten). Kaatser: - De kaatser maakt een korte tegenaanloopbeweging zodra de startspeler in de uithaalbeweging gaat en komt dan de bal kort tegemoet. - 6 pionnen, 2 groot doel(en)

Trainingsattributen

Techniek

Techniek
Balaan- en -meename Balcontrole Dribbelen Schijnbewegingen/trucs Passtraining Schottraining

Conditie

Conditie
Actiesnelheid met bal Krachttraining

Coördinatie

Coördinatie
Anticipatiesnelheid Beweeglijkheid Handelingssnelheid

Trainingsorganisatie

Leeftijdsgroep
O6 - O13 O14 - O19
Duur
40 min
Trainingsopbouw
Hoofddeel
# Spelers
6 - 9 spelers 10-15 spelers
# Keepers
2 keepers
Trainingsvorm
Individueel training Groepstraining
Oefeningniveau
Makkelijk Gemiddeld Moeilijk
Trainingslocatie
Zaal Veld