Aan de kopzijde van het veld wordt een doel opgesteld, waarin een keeper gaat. 10 veldspelers worden volgens de afbeelding op het speelveld gepositioneerd. De bal is bij de linker achterback.
Speler A speelt een diagonale pass op spits C. C laat terugkaatsen in de looplijn van middenvelder B. Middenvelder B opent met zijn looplijn (tegenbeweging) de passweg naar de centrale spits. De achterback passt de bal laag op de centrale spits (speler C), en deze speelt de bal zijn aanvallende middenvelder (speler B) in de diepte. De actie wordt uitgespeeld, zodat de spits maar ook de andere spelers zich in het hoogste tempo naar voren inschakelen. Variant 1: Zelfde verloop als variant 1. Alleen wordt de bal nu hoog op de spits gespeeld en deze leidt de bal met het hoofd door.
- Erop letten dat de ingestudeerde bewegingspatronen tot een snelle, vloeiende totaalbeweging leiden. - De blik moet regelmatig van de bal worden losgemaakt (wisselende blik richting bal en naar voren). - De pass verwachtende speler maakt, gelijktijdig met de uithaalbeweging van de passgever, een korte tegenbeweging. - De pass moet in de looplijn van de balverwachtende starter gespeeld worden. - De passspeler moet de looplijn van de balverwachtende speler observeren. - 1 groot doel