Organisatie
Het 3-4-3 systeem definieert allereerst alleen het aantal veldspelers in de afzonderlijke teamonderdelen. De keeper is in de oefeningbenaming van deze telling uitgesloten. Bij dit hier gepresenteerde 3-4-3 systeem zijn de middenvelders ruitvormig op het speelveld opgesteld. De afzonderlijke teamonderdelen worden in linies aangegeven. De eerste linie is de keeper. De tweede linie de driemansverdediging, de derde linie de centrale, de vierde de twee middenvelders in de halfruimte, de vijfde de offensieve middenvelder en de zesde linie het aanvalstrio. Bij balbezit van het eigen team beweegt de keeper zich tussen zijn doel en het midden van de eigen speelhelft, zodat hij een afstand van ca. 20 meter tot de verdedigingslinie heeft en altijd als een soort libero aanspeelbaar is en bij lange ballen in de rug van de verdediging kan ingrijpen. De veldspelers moeten bij balbezit de breedte en diepte van het gehele speelveld benutten. In dit systeem wordt gespeeld met een centrale verdediger, twee buitenverdedigers in de verdedigingslinie, op het middenveld met een defensieve, twee middenvelders in de halfposities en een offensieve middenvelder, evenals met twee buitenaanvallers en een centrale spits. Bij eigen balbezit heeft men door de staffeling met vier offensieve spelers en twee spelers in de halfruimte een groot aantal aanspeelstations in de buurt van de doelgevaarlijke zone. Bij balbezit van de tegenstander beweegt het team zich in het verdedigingsverband in de 3-4-3 ruitformatie op een vlak van maximaal 35 x 35 meter. De verdedigingsformatie kenmerkt zich in de uitgangspositie door een liniepositionering (uitzondering middenveld) van de afzonderlijke teamonderdelen. D.w.z. de drie verdedigers staan op een lijn, de vier middenvelders in ruitformatie op drie verschillende linies) en de drie aanvallers eveneens. Daarmee worden vijf verdedigingslinies gevormd. Daarbij moeten bepaalde afstanden onderling worden aangehouden die een optimale verdediging van het eigen doel waarborgen. Deze afstanden zijn in de regel als volgt: In de breedte 7-12 meter en in de diepte 8-15 meter. De afstanden van de individuele spelers en teamonderdelen kunnen door wisselend speeltempo, verandering van de spelsituatie of door tijdelijk ondertalspel variëren. In teamverband wordt een compact, gedisciplineerd verschuiven nagestreefd, met als doel de ruimtes te verkleinen en de tegenstander enerzijds geen pasmogelijkheden in de diepte te bieden en hem anderzijds de mogelijkheid te ontnemen om individuele acties te starten. Tot de belangrijkste tactische duelmaatregelen behoort het de balvoerende speler naar de buitenbaan te sturen en door dubbelen in balbezit te komen, evenals de spelopbouw van de tegenstander door het verschuiven naar de buitenspelers te leiden, daar de paswegen zo af te sluiten dat alleen nog een pass naar het midden mogelijk is. Daar wordt de speler dan gedubbeld en massief onder druk gezet.