Op de kopzijde van het veld wordt een doel opgesteld, waarin een keeper gaat. 10 veldspelers worden volgens de grafiek op het speelveld gepositioneerd. De ballen zijn bij de middencirkel.
Speler C speelt een pass in de diepte op spits I (1), die de bal laat terugkaatsen op de aankomende speler B (2). B speelt nu een diagonale pass in de loop van E (3) en begeeft zich samen met de andere spelers richting strafschopgebied. E neemt de bal aan en dribbelt richting achterlijn (4), van waaruit hij een voorzet zo in het strafschopgebied brengt dat de bal ca. 6-11 meter van het doel aankomt (5). De oprukkende spelers proberen de voorzet te benutten. Vervolgens start de oefening via de rechterkant.
- Erop letten dat de ingeoefende bewegingspatronen tot een snelle, vloeiende totaalbeweging leiden. - De blik moet regelmatig van de bal worden losgemaakt (afwisselende blik richting bal en naar voren). - De speler die de pass verwacht, maakt tegelijk met de uithaalbeweging van de passgever een korte tegenbeweging. - De pass moet in de loopweg van de bal-verwachtende starter worden gespeeld. - De passspeler moet de loopweg van de bal-verwachtende speler observeren. - 1 groot veld-doel(en)