In een speelveldhelft worden volgens de grafiek 6 pionnenvierkanten opgebouwd. In elk van deze pionnenvierkanten gaan 2 spelers. De spelers van twee pionnenvierkanten vormen samen een groep, zodat er in totaal drie groepen ontstaan (rood A1 - A4; blauw B1 - B4 en geel C1 - C4). In het doel staat een keeper, de ballen zijn over de pionnenvierkanten verdeeld.
Verloop
De oefening bestaat uit een reeks van keepersaanspelingen en groepsinterne passtafettes. Steeds een tweetal van elke viergroep speelt de keeper aan. De keeper controleert de bal en speelt hem door naar het andere tweetal van de groep. Een speler van dit team neemt de bal aan, past hem naar zijn partner in hetzelfde pionnenvierkant, die hem dan met een lange pass terug past naar de partnergroep die de bal eerder naar de keeper heeft gespeeld. Zodra de keeper de bal heeft gecontroleerd en doorgespeeld, start de volgende groep met het aanspelen van de keeper. De groepen spelen de keeper aan in de volgende volgorde: Rood - Blauw - Geel. In detail ziet het verloop er als volgt uit: A2 past naar de KP, die speelt een lange bal naar A4, die laat kaatsen naar A3. A3 slaat een lange bal naar A1. B1 past naar de KP, die gooit een lange bal naar B3, die laat kaatsen naar B4. B4 slaat een lange bal naar B2. C1 past naar de KP, die speelt een lange vluchtbal als dropkick naar C3, die laat kaatsen naar C4. C4 past een lange bal naar C2. Na elke ronde kunnen de spelers binnen hun tweetallen van positie wisselen, zodat een speler steeds afwisselend past en aanneemt.
Tip
- Het passen en de spelopbouw over verschillende afstanden wordt ingestudeerd. - Met elkaar praten. - Op de juiste techniekuitvoering van de pass- en worptechnieken letten. - 24 pionnen of meer, 1 groot doel(en)