Er worden twee teams van 6 gevormd. Op de achterlijn wordt een doel geplaatst, waarin een keeper gaat. De spelers positioneren zich volgens de grafiek respectievelijk zoals eerder bij stap 1.
Verloop
Het spel start met een pass van de keeper naar een willekeurige speler van het blauwe team. De tegenstander van de blauwe speler die de pass van de keeper ontvangt, verlaat onmiddellijk het speelveld en begeeft zich naar de zijlijn (A1). Nu spelen de 6 blauwe spelers + keeper tegen de 5 rode spelers. Het blauwe team probeert, met inbegrip van de keeper, de bal te behouden en achter de middenlijn neer te leggen. Het rode team probeert dit te voorkomen en op hun beurt in balbezit en tot een doelpoging te komen. Vervolgens speelt het rode team de keeper aan enz.
Tip
- De keeper opent het spel en kan altijd worden aangespeeld. - Er ontstaat een overtalspel van het spelopbouwende team. - De teams moeten permanent in beweging zijn. De spelers proberen zich voortdurend aan te bieden en hun medespelers als aanspeelstation ter beschikking te staan. - Vastspelen in een krappe ruimte moet worden vermeden. Daarom moeten zijkant-wissels respectievelijk passes in de diepte of naar de keeper regelmatig worden gespeeld. - Deze spelvorm vereist een enorm looppensum en spelinzicht. - Doel voor de verdedigers is om ofwel in balbezit te komen of de balvoerende aanvaller naar de doelongevaarlijke ruimte aan de kant af te dringen en hem door dubbelen of inschuiven de passweg naar de middenlijn/naar de medespeler af te snijden. De middenvelder probeert te dubbelen of de passweg dicht te zetten. - Het ondertalteam probeert een aanvalspressing toe te passen. - 1 groot doel(en)