Een keeper stelt zich midden, ongeveer 5-7 m voor het doel op. De keeperstrainer (KT) stelt zich op ca. 35 m afstand van het doel links aan de zijlijn op, een tweede KT of een tweede keeper stelt zich op gelijke afstand rechts aan de zijlijn op.
Verloop
De KT speelt de keeper een terugpass toe (1). De keeper moet de bal met het eerste contact verwerken en met het tweede contact diagonaal naar de tweede keeper/KT passen. Deze speelt de bal terug naar de KT. Alternatief: De KT speelt een hoge vluchtbal richting doel. De keeper vangt de bal en gooit hem diagonaal naar zijn keeperscollega. Telkens 8-10 herhalingen
Tip
- Steeds weer nauwkeurigheid en tempo eisen (de langzame uitvoering leidt op de duur niet tot spelmatig succes). - Het standbeen moet 30-40 cm zijwaarts naast resp. op hoogte van de bal worden geplaatst. - Aan het voorbeeld van de balaaname en balmeename met de rechter binnenkant ziet de bewegingsafloop er zo uit dat de speler de bal, op het moment dat deze de grond raakt, met de voetbinnenkant moet meenemen. Daartoe wordt het been van rechts naar links in de richting van de bal gezwaaid. Daarbij wordt de voet licht van boven naar beneden in de richting van de bal gevoerd (vergelijkbaar met de voetbeweging bij het schot op doel, alleen met een geringere uithaalbeweging) en zo de bal ervan weerhouden omhoog weg te springen. Het lichaamsgewicht rust hierbij volledig op het linker standbeen, het bovenlichaam wordt in het heupgewricht naar rechts gedraaid (rechter schouder wordt naar achteren gedraaid). De blik is op de bal gericht, waardoor het bovenlichaam aanvullend licht over de bal wordt gebracht - Bij de balaaname en balmeename met de buitenvoet wordt het enkelgewricht naar binnen opgeklapt. Het onderbeen is in het kniegewricht eveneens naar binnen afgebogen, zodat de voetbeweging van boven naar beneden en van links naar rechts richting bal kan plaatsvinden. Het trefvlak van de bal is de complete buitenkant van de voet. - De geprefereerde pastechniek voor lange (vlucht-)passes is de binnenkantschop: De bal wordt deels met de binnenkant en deels met de volledige wreef gespeeld. Het standbeen is zijwaarts naast de bal gepositioneerd en het bovenlichaam van de speler gaat in een schuine ligging. De voetpunten wijzen naar beneden, vergelijkbaar met de voethouding bij de wreeftrap. Deze pastechniek heeft het voordeel dat de ballen met hoge snelheid en een lage vliegbaan worden gespeeld en daarmee een snelle en voor de passontvangers goed verwerkbare pasvariant vormen. - Bij de zijwaartse worp wordt de arm als bij een speerwerper naar achteren gestrekt en de bal op de open handpalm gelegd. De gestrekte arm wordt dan onder spanning naar voren gevoerd. Daarbij gaat hij dicht langs het oor. Belangrijk is hierbij de stemstap. Wanneer de keeper met rechts gooit, staat het linker been zijwaarts naar voren verschoven. Gooit hij met links, dan is het rechter been zijwaarts naar voren verschoven. - 1 groot-veld-doel(en)
Trainingsattributen
Techniek
Techniek
Balaan- en -meenameBalcontrolePasstrainingSchottrainingKeeperstechnieken
Tactiek
Tactiek
Spelopbouw
Conditie
Conditie
Actiesnelheid met balBewegingssnelheid zonder balKrachttraining