Tip
Bij de sprint wordt in pashouding op de voorvoet gestart. In het begin is het bovenlichaam ver naar voren gebogen, het zwaartepunt is op heuphoogte, de blik gaat naar beneden. Na het krachtig afzetten over de voorvoet wordt het bovenlichaam geleidelijk opgericht, de blik komt omhoog en de pasfrequentie wordt groter. De armen worden afwisselend met de beenbeweging (gaat het rechterbeen naar voren, gaat de linkerarm naar voren en omgekeerd) actief meebewogen. Na de eerste 3-4 passen op de voorvoet wordt nu over de hele voet afgerold (hiel, zool, voorvoet), het bovenlichaam is rechtop en rustig, de pasfrequentie stijgt tot het maximum.