Aan de spelers worden verschillende gewichten bevestigd. De gewichten kunnen op de schouder, aan de enkelgewrichten of aan de handen worden bevestigd.
Verloop
De spelers maken sprongen met de gewichten en proberen daarbij zo hoog mogelijk te komen. Herhalingen: 15-30 Rondes: 3-6n
Tip
Sprong hoog: Brede, ruimtegrijpende sprongen op één been. Afwisselend van de linker- op de rechtervoetbal. Beide benen zijn gebogen. De armen worden in de tegenbeweging meegezwaaid. Het bovenlichaam is rechtop. Doel is om zich ver en hoog af te zetten en zo lang mogelijk in de lucht te staan. - Sprong ver (driesprong): De afzet en de landing vinden alleen op de voetballen plaats. Doel is om zo ver mogelijk te springen, niet zo hoog mogelijk. Het bovenlichaam is tijdens de sprongen relatief rechtop, met lichte holle kruishouding. Het is bovendien iets naar de kant gebogen waarmee wordt afgezet. De armen ondersteunen de sprongen door dynamisch mee te zwaaien. - Zijwaarts verplaatste sprongen (skisprong/-beweging): Met het bovenlichaam licht naar voren gebogen wordt, afwisselend met het rechter- en linkerbeen, zijwaarts naar voren afgezet (met het rechterbeen naar rechts-voren en met het linkerbeen naar links-voren). Belangrijk is daarbij dat de afzet en de landing via de voetballen plaatsvinden. De armen zwaaien daarbij ondersteunend mee. Zet het standbeen na de afzet neer, dan is het andere been gebogen (geen grondcontact). De blik is recht vooruit gericht. - Hurksprongen: Door een krachtige, tweebeinige afzet worden de knieën/bovenbenen naar de borst getrokken. De armen zijn gebogen en gaan in de uithaalbeweging. Het bovenlichaam is rechtop. Er wordt op de voetballen geland. Na een korte grondcontacttijd volgt direct de volgende sprong.
Trainingsattributen
Conditie
Conditie
Bewegingssnelheid zonder balKrachttrainingSnelheid