← terug naar overzicht
Stationenparcours
30 min
Voetbal Oefening

Stationenparcours

Organisatie

Opbouw van een parcours volgens de afbeelding. De spelers stellen zich achter elkaar op. Per station niet meer dan 3-5 spelers.

Verloop

Oefeningsvoorstellen station 1: - Slalomloop + sprint. - Sidesteps + sprint. Oefeningsvoorstellen station 2: - Skippings voorwaarts met een contact per tussenveld. - Skippings beide voeten hebben een contact per tussenveld. - Tweebenige sprong over de horden. - Zijwaartse skipping (stangzijdig been gaat eerst over de horde). - Skipping twee stappen voorwaarts, een terug (steeds maar met een voet, d.w.z. rechtervoet 2 voor, terugspringen op de linkervoet en dan met deze 2 voor. Voortdurende wisseling. Steeds wanneer er teruggesprongen wordt, wisselt de voet. - Huppelloop of kniehefloop. Oefeningsvoorstellen station 3: - Skiërsprong vanuit de heup/zigzag. De rechtervoet gaat altijd in de rechter ring en de linkervoet altijd in de linker ring. - Kruissprong. Met de rechtervoet wordt in de eerste linker ring gestapt, dan wordt de linkervoet in een halve cirkelvormige beweging voor het lichaam langs in de eerste rechter ring geplaatst, dan de rechtervoet in de tweede linker ring enz. - Eenbenige sprongen met slechts een voet in zigzag. Oefeningsvoorstellen station 4: - Skippings, afwisselend een tap in de ring, een in de tussenruimte. - Eenbenige sprongen. - Tweebenige sprongen. Oefeningsvoorstellen station 5: - Driesprong: In de eerste drie ringen telkens slechts bodemcontact met een voet, in de derde ring vanuit de loop met vaart in de laatste ring springen en met beide voeten erin landen. Oefeningsvoorstellen station 6: - In skipping of kniehefloop door de ringen en in eenbenige of tweebenige sprong over de stangen. Na afronding van elke coördinatieve loopopefening moet naar het laatste pion gesprint worden. Vervolgens draven of lopen de spelers terug naar het startpion.

Tip

- Handpalmen zijn open, geen vuisten maken (scheelt bij een sprinter 3/100 sec.). - Lopen op de voetballen, niet op de hele voet c.q. de hak. - Losjes, lichtvoetig optreden, niet stampen. - De aan het lichaam gebogen armen bewegen zich afwisselend met de benen mee. Niet van het lichaam af. - Snelle, korte bewegingen. - Korte bodemcontacttijden. - Oefening dubbel opbouwen. Om wachttijden te verkorten en eventueel om individuele probleemgevallen uit de groep te kunnen nemen voor uitleg. - Heel belangrijk: Altijd commentaar geven op wat goed of fout gedaan wordt. - Sidesteps voorwaarts/achterwaarts: In zijwaartse looprichting worden de benen parallel afwisselend uit elkaar en samen gebracht, de armen pendelen daarbij in gelijktakt met de beenbeweging mee. - Kruisloop: In zijwaartse looprichting naar links wordt het rechterbeen in een halve cirkelvormige beweging voor het linkerbeen langs gevoerd en voor het linkerbeen geplaatst. Vervolgens wordt het linkerbeen achter het rechterbeen langs gevoerd en voor het rechterbeen neergezet (enz.). Wordt het linkerbeen naar voren gevoerd, draaien de heup en de armen in de tegenovergestelde richting (naar achteren), zodat er een draaiing tussen schouder- en bekkenas ontstaat. - Zijwaarts verplaatste sprongen (skiërsprong/-beweging): Met licht voorovergebogen bovenlichaam wordt, afwisselend met het rechter- en linkerbeen, zijwaarts naar voren afgesprongen (met het rechterbeen naar rechts-voor en met het linkerbeen naar links-voor). Belangrijk is dat de afsprong en de landing op de voetballen plaatsvinden. De armen zwaaien ondersteunend mee. Zet het standbeen na de afsprong neer, dan is het andere been gebogen (geen bodemcontact). De blik is recht vooruit gericht. - Skippings op de hele voet: afrollend van tenen over de voetballen, op de hak. Armen gebogen, bovenlichaam is licht voorovergebogen. - Kniehefloop: Het rechterbeen naar boven in de maximaal hoogste hoekpositie gebogen. De linker (gebogen) arm gaat eveneens in de opwaartse beweging. Het linkerbeen is bijna gestrekt. De speler staat op de voetbal. Zet de rechter voetbal op de grond neer, volgt dezelfde bewegingsvolgorde met links. Het bovenlichaam is rechtop. Korte bodemcontacttijd, hoogste tempo. - Huppelsprong hoog/sprong eenbenig: Met het linkerbeen wordt krachtig en zo hoog mogelijk naar boven afgeduwd. Het rechterbeen is daarbij gebogen. De linker (gebogen) arm gaat eveneens in de opwaartse beweging. Het linkerbeen is bijna gestrekt en duwt af op de voetbal. Zet de rechter voetbal op de grond neer, begint dezelfde bewegingsvolgorde met links. Bovenlichaam is rechtop. Korte bodemcontacttijd, hoogste tempo. - Sprong ver (driesprong-gazelle): Wijde, ruimtelijke eenbenige sprongen. Afwisselend van de linker op de rechter voetbal. Beide benen zijn gebogen. De armen worden in de tegenloopbeweging meegeswaaid. Het bovenlichaam is rechtop. Doel is om zich ver en hoog af te duwen en zo lang mogelijk in de lucht te staan. - Skipping: korte, snelle bewegingen op de voetballen (niet op de hele voet). De hakken mogen de grond niet raken, de benen/armen zijn gebogen en pendelen volgens de natuurlijke tegenloopbeweging (rechterarm/linkervoet) mee. Het bovenlichaam is naar voren gebogen. Korte bodemcontacttijd, hoogste tempo. - Eenbenige sprongen: Dienen voor de ontwikkeling van de afzetkracht (verhoging van de maximale en explosieve kracht bij beperkte afzettijd), oftewel de startsnelheid. Er wordt vanaf de rechter voetbal naar voren gesprongen en met dezelfde voet op de bal geland. Kort bodemcontact met explosieve sprint. De linkervoet zet naar voren bewegend neer. - 4 stang(en), 18 ring(en), 17 pionnen, 6 horde(n)

Trainingsattributen

Conditie

Conditie
Bewegingssnelheid zonder bal Basisuithoudingsvermogen Krachttraining Snelheid

Coördinatie

Coördinatie
Anticipatiesnelheid Handelingssnelheid

Trainingsorganisatie

Leeftijdsgroep
O6 - O13 O14 - O19
Duur
30 min
Trainingsopbouw
Warming-up Hoofddeel
# Spelers
6 - 9 spelers
Trainingsvorm
Individueel training Groepstraining Teamtraining
Oefeningniveau
Makkelijk Gemiddeld Moeilijk
Trainingslocatie
Veld Zaal