Opbouw van een pionnenparcours. De gele pionnen worden altijd midden tussen de rode pionnen geplaatst.
Verloop
Vanaf de vier startpunten wordt altijd eerst naar rechts naar de gele pion en dan naar links naar de rode pion gedribbeld. Er wordt voor de pion afgebogen en niet erachter. De tweede speler loopt altijd weg wanneer de eerste speler bij de volgende middenpion is. Oefening 1: Voor de betreffende pion wordt met de binnenkant voet afgekapt. Oefening 2: Voor de betreffende pion wordt met de buitenkant voet afgekapt. Oefening 3: Voor de betreffende pion wordt een overstap gemaakt. Oefening 4: Voor de betreffende pion wordt een pirouette gemaakt. Oefening 5: Voor de betreffende pion wordt een schijnschot gemaakt. Oefening 6: Voor de betreffende pion wordt afwisselend een van de vijf oefeningen gemaakt, zodat alles wat geoefend is in een ronde eenmaal wordt toegepast.
Tip
De oefening dient langzaam te worden gestart waarbij op een zuivere uitvoering van de respectievelijke oefenopgave wordt gelet. Nauwkeurigheid gaat voor snelheid. Met toenemende zekerheid van de spelers kan het tempo en de moeilijkheidsgraad worden verhoogd. De opvolgende spelers mogen niet te vroeg starten en moeten erop letten dat ze het tempo vertragen als een speler voor hen een fout maakt en er vertragingen optreden. - 17 pionnen
Trainingsattributen
Techniek
Techniek
Balaan- en -meenameBalcontroleDribbelenSchijnbewegingen/trucsSchottraining
Conditie
Conditie
Actiesnelheid met balFitnessprogrammaBasisuithoudingsvermogenKrachttrainingSnelheid