Er wordt een pionnenvierkant opgebouwd, waarin acht spelers zich positioneren. Elke pion wordt met twee spelers bezet. Twee van de spelers hebben een bal.
De twee balbezittende spelers beginnen gelijktijdig met hun passes zoals voorgeschreven (zie tekening). De passgevers lopen vervolgens zijwaarts naar de positie van de medespeler. Het passeerwerk vindt altijd afwisselend plaats tussen lengtepass en diagonaalpass. De positiewisselingen moeten in hoog tempo uitgevoerd worden.
Steeds weer de blikrichting op het gehele speelveld richten, om niet het moment te missen waarop de volgende pass komt. Verdere belangrijke kenmerken: - Het standbeen moet op 30 - 40 cm afstand zijwaarts naast of op hoogte van de bal geplaatst worden. - Bij de binnenkant voet-pass wijst de voetpunt omhoog, de enkel is stevig aangespannen en het bovenlichaam is licht naar voren over de bal gebogen. - Op de bal van de voet staan, speelvoet licht optillen en de bal in het midden raken. Lichaam over de bal brengen en niet naar achteren in het holle kruis gaan. - Na het raken van de bal het been doorswaaien en in de loopbeweging overgaan. - Bij de wreefpass is de enkel gestrekt, tenen wijzen naar de grond en het bovenlichaam is licht over de bal gebogen - Bij het spelen van de bal met de buitenkant voet kan men makkelijk naar achteren leunen. - Bij de binnenkant voet-trap beweegt men zich zijwaarts verschoven naar de bal, het lichaam gaat in een schuine positie. - 4 pionnen