Ballen en medicijnballen zijn bij de keeper. De trainer stelt zich tegenover op. De afstand tot de keepers is afhankelijk van werpkracht en leeftijdscategorie variabel en kan tussen 10-50 meter liggen.
Verloop
De keeper gooit afwisselend met een gewone voetbal en een medicijnbal. De worpen oefent hij zowel met de rechter- als de linkerarm. Doel is de ballen naar de trainer of tegenoverstaande keeperscollega te gooien. Deze moet zijn positie en afstand regelmatig variëren.
Tip
- Worpen met de medicijnbal als versterkingsoefening voor de armen. - Bij de worp wordt de arm als bij een speerwerper naar achteren gestrekt en de bal op de open handpalm gelegd. De gestrekte arm wordt dan onder spanning naar voren gevoerd. Daarbij gaat hij dicht langs het oor. Belangrijk hierbij is de remstap. Wanneer de keeper met rechts gooit, staat het linkerbeen zijwaarts naar voren verschoven. Gooit hij met links, dan is het rechterbeen zijwaarts naar voren verschoven. Men kan de werptechniek tegen een vangscherm oefenen en daarna de werpactie in de schiettraining inbouwen, doordat na een gehouden bal, deze in een willekeurig ver opgesteld doel gegooid moet worden. - Worpen met de bal moeten in elke leeftijdscategorie worden getraind. Het gebruik van een medicijnbal mag op z'n vroegst vanaf het 15e levensjaar plaatsvinden.